27 januari 2008

Wislawa Szymborska (selectie Marleen)

Een eerste gedicht dat ik wil aanhalen is het korte Vietnam (p 124). Een reeks eenvoudige vragen krijgt steeds het korte ‘Weet ik niet’ als antwoord. Met weinig woorden creëert Szymborska hier een sfeer van verregaande onverschilligheid, gevolg van alle geleden ontbering. Of gaat het veeleer om radeloosheid? Een ding is wel duidelijk: voor haar kinderen zal deze vrouw nog tot het uiterste gaan.

Een verwant thema, vluchtelingen, komt aan bod in Enkele mensen (p 339). Het universele karakter, dat in het begin van het gedicht wordt opgeroepen met ‘in een of ander land’, wordt in heel het gedicht verder doorgetrokken (‘een of andere weg’, iemands weggrissen van iemands brood’, ‘dichtbij of verder weg’), soms tot in het absurde (‘een of ander alles’). Het woordenspel komt ook mooi tot uiting in de derde strofe: ‘elke dag leger,’, doelend op de kruiken en bundels, ‘elke dag zwaarder’, verwijzend naar de tocht zelf. Of helemaal op het einde: ‘en zal hij hen in een of ander leven laten’.

Lijst (p 347) haalt een aantal vragen aan over ‘belangrijke en minder belangrijke kwesties’. De toon van het hele gedicht blijft evenwichtig terwijl de soorten vragen en de manier waarop ze gesteld worden toch afwisseling brengen. Geen vreemde sprong aan het einde van het gedicht dus, iets wat me in vele andere gedichten van Szymborska toch wel wat stoorde.

Marleen

25 januari 2008

Enkele notities

Een beetje commentaar na een (veel te snelle) kennismaking met de poëzie van Szymborska. Origineel en efficiënt taalspel zag ik aan het werk in ‘Kleding’ (p. 239). Het lijkt op het eerste zicht wel een lesje in het vervoegen van werkwoorden, of een greep uit het betekeniswoordenboek. Een niet nader genoemde jij, wij en jullie trekken diverse kledingstukken uit (en naderhand weer aan) voor een consult bij de dokter:“jassen, blazers, colbertjes, blouses / van wol, van katoen, polyester/ rokken, broeken, sokken, ondergoed’. De ongerustheid van de patiënten blijkt echter voor niets geweest te zijn, wat tot opgelucht en opgewonden gekwetter leidt: “zie je wel, en jij dacht, en wij vreesden, en jullie veronderstelden, en hij vermoedde’. Er is nog tijd van leven voorspeld, en het verfrommelde sjaaltje, achteloos in b.v. een mauw gepropt, blijkt plots nog langer van nut te kunnen zijn dan gevreesd. Een universele ervaring krijgt hier heel concreet gestalte door het nauwkeurig benoemen van kleren en manieren van ze aan te trekken, het weergeven van flarden gesprekken. Een heel conreet, aanschouwelijk gedicht, zonder het ietwat drammerige en betogende dat vaak de gedichten van Szymborska kenmerkt.
Iets te betogend naar mijn smaak is b.v. De mensen op de brug (p. 271)(zie plaatje bovenaan), maar het is wel een interessante reflectie op de verschillende wijzen van kijken naar een prent. De titel van het gedicht verwijst naar een tekening van de 19de-eeuwse Japanse prentkunstenaar Utagawa Hiroshige. Het is een prent uit de serie ' One Hundred Views of the Famous Places of Edo’ (Edo is de oude benaming voor Tokio), met als titel ‘Onverwacht onweer over de Shin-Ohashi brug en Atake. Het gedicht heeft als titel ‘De mensen op de brug’ (en fungeert ook als titel voor de bundel waarin het opgenomen werd). Met die titel wordt de lezer meteen enigszins op het verkeerde been gezet. Het gedicht gaat immers niet zozeer over wat de mensen op de brug meemaken, maar over het inzetten van kunst als verzet tegen de vergankelijkheid, een activiteit die de ik als ‘vreemd’ bestempelt, maar toch nog wel weet te waarderen. Al te gek wordt het echter wanneer sommige lieden zich gaan identificeren met ‘de mensen op de brug’, en wel zo vergaand dat ze hetzelfde horen en voelen, en menen dat zij ook aan de tijd zullen kunnen ontsnappen.
Een sterk gedicht vind ik ‘Martelingen’ (p.254-255), vol deernis voor het gepijnigde lichaam dat door de eeuwen heen steeds op dezelfde manier weerloos aanwezig blijft: ‘Het gebaar van handen die het hoofd beschutten / is echter nog precies zoals het was’. Ook de beulen blijven de hele geschiedenis door even efficiënt in het veroorzaken van zoveel mogelijk pijn in het lichaam ‘dat is en is en is / en zich nergens bergen kan’. De ziel daarentegen beschikt over zichzelf, kan komen en gaan, verdolen en de weg terug vinden, een thema dat overigens ook in andere gedichten in de bundel opduikt.
Heel aardig is op p. 257 ook ‘Het schrijven van een CV’, een ironische handleiding over hoe je bij het beoefenen van dit genre een mensenleven tot data en feiten hoort te reduceren. Geen beschrijvingen van landschappen dus, maar adressen, geen herinneringen maar data, lidmaatschappen zonder waarvan en onderscheidingen zonder waarvoor. Alleen jammer van de laatste regel, waarin de lichte toon van het vers plots overstemd wordt door het dreunen van de papiervernietiger, die de zinloosheid van CV’s naar mijn smaak al te nadrukkelijk in de verf komt zetten. An DV

24 januari 2008

Wislawa Szymborska

Een erg boeiend gedicht is ‘Vier uur ’s morgens’ blz. 39.

Typisch voor haar dichtkunst is dat zij erin slaagt om over iets heel gewoons (vier uur ’s morgens) een beschrijving te geven die dat moment veel meer kracht en cachet geeft, bepaalde facetten van dat moment doet oplichten en de lezer verwonderd doet kijken naar de wereld en zichzelf.

Opvallend is daarbij dat sommige woorden en echt concreet zijn (bv. het uur van zij op zij omdat de slaap niet (opnieuw) wil komen) en toch heel wat suggereren, respectievelijk vragen oproepen (bv. het uur geruimd voor het hanengekraai of het uur voor dertigjarigen). Die mix is erg typerend voor haar dichtwerk in allerlei variaties.

Een tweede is ‘Autotomie’ blz. 175 over de beide kanten die in ons en in de wereld aanwezig zijn, over de mens die en leeft in de wereld en zichzelf terugtrekt, die en lacht en huilt en beide tegelijkertijd kan doen. De vergelijking met de natuur en zoiets gewoons als een zeekomkommer relativeert de mens heel sterk en plaatst hem opnieuw in de natuurlijke orde van de dingen. Toch is hij ook speciaal, want anders dan bij de zeekomkommer omringt de afgrond ons. Dat idee komt ook voortdurend terug.

De taal is opnieuw ogenschijnlijk erg eenvoudig en direct to the point, maar opent tegelijkertijd allerlei perspectieven.

‘Het moment’ blz. 315 heeft een andere dimensie. Het is veel meer aanvaardend; het leven is er in alle momenten en de dichteres vraagt om meer aandacht voor het beleven van dat moment. Opnieuw is de natuur en de mens die daarmee verweven is, heel sterk aanwezig. Opnieuw vertrekt het gedicht van een eenvoudige waarneming die heel concreet (9 uur 30) omschreven wordt, maar het moment en de eenvoudige waarneming overstijgt.

Soms is in haar wereld alles harmonieus, maar vaak is er (een voorgeschiedenis van) vechten en wringen, van ontstaan en worstelen.

Soms is er echter ook puurheid en dan vallen woorden gewoon samen met de dingen.

Opnieuw is de taal en gewoon en openbarend, gaat het over het concrete van het moment en het individu, maar ook over altijd en de mensheid.

Rudi

26 november 2007

fragmenten (christina)

op het laatste nippertje nog mijn fragmenten: Helaasheid der dingen: p190 vanaf 'Zo. Gaan we eraan beginnen?' tot p193 "'Zou je nu niet onploffen!' zei onze Herman." (het stuk waar de demente grootmoeder een dronkemansliedje moet zingen) Een prachtig en hilarisch fragment. Ik kan moeilijk met de juiste woorden uitleggen hoe geweldig ik dit vind en waarom. Dus doe ik het maar niet. Het hele boek is eigenlijk een uitleg van waarom dit zo een mooi stukje is, en ik wil dit niet verpesten door dit met mijn eigen woorden uit te leggen. Maar jullie weten ongetwijfeld wat ik bedoel! Mevrouw Verona daalt de heuvel af Er zijn al heel erg treffende fragmenten en citaten gekozen op deze blog,. ik ben het helemaal eens met jullie keuze. Een ander mooi stukje vond ik dat van het onweer. p98. Maar het mooiste was toch de laatste paginas. Je weet het hele boek dat het eraan komt en toch is het nog helemaal anders dan je had verwacht, heel aangrijpend. tot straks! ik kijk er naar uit en ik heb ook al honger

25 november 2007

Citaten uit Mevrouw Verona...Uit Mevrouw Verona daalt de heuvel af’ (Annemie)

Uit Mevrouw Verona daalt de heuvel af’ p.20 'Beneden beschreef de rivier zijn weg in kalligrafische krullen, in sierlijke majuskels waarvan men sinds het gebruik van het schrijfklavier haast geen weet meer had. En terwijl ze naar dat landschap keken overwogen ze of ze de eenvoudige schoonheid ervan zouden blijven verdragen, of ze op den duur niet zouden worden meegesleept door de eenzaamheid van deze omgeving…..' p.53 'Hier zou zij blijven, en haar schoonheid zou verhabbezakken van de worsten die zij samen met de anderen vrat aan de oevers van de Gemontfoux. Zij bleef, wetende dat de heuvel later haar calvarie zou worden, en ten slotte zelfs haar harde contract met de eenzaamheid….En de dag waarop het nieuws hier door de heuvels trok, Mevrouw Verona blijft!, Mevrouw Verona blijft! hebben de mannen zingend vlokken schuim op de rivier gepist.'

Dimitri Verhulst - citaten gekozen door Marleen

Alle kossems, villegiaturen, vergauweloosden en kokkerullende meisjes ten spijt, heb ik gekozen voor twee eenvoudiger citaten:

Er was hun huis, en er was Oucwègne. Vol dorpelingen die ze niet kenden en die hermetisch durfden te leven volgens de vertellingen van stedelingen. Een sprong in het duister zou het worden. ‘Hier zou ik kunnen sterven’ zei ze, en Meneer Pottenbakker stak een sigaret op voor dat raam, liet zijn blik rusten op een myriade eeuwenoude bomen met basten die hem nog onbekende insecten een winterwoning boden. ‘Ik zou het denken’, had hij geantwoord. ‘Hier kun je ongelukkig zijn. We zouden gek zijn dit huis niet te nemen.’ p 20

‘Er is geen soepbeen, jongen, waarheen jij mij volgt.’ Maar dat leek hem niet te deren. ‘Eigenlijk zouden we eerst nog een goede woning voor jou moeten vinden.’ Ze had willen uitgaan als een licht, rustig, en zonder effecten. En nu drong het tot haar door dat simpel sterven keihard werken is, en dat er nog veel gevraagd zou worden van haar eer deze sneeuw gesmolten was, de rivieren voorjaarsachtig waamden en de vroegelingen onwetend het eeuwige leven uitschreeuwden. p 71

Uit Mevrouw Verona daalt de heuvel af, zoals je kan zien. Al heb ik eigenlijk meer genoten van De helaasheid der dingen, maar het is al wat langer geleden dat ik dat gelezen heb en dus vond ik het net iets moeilijker om daar zo direct de meest treffende citaten uit op te vissen.

Tot morgen, Marleen

Citaten en comments van Anneleen

Mevrouw Verona daalt de heuvel af Dimitri Verhulst Een dun boekje, maar absoluut een meesterwerk! Zo kun je dit boek het best beschrijven. Bij het lezen moet je je hoofd erbij houden want het bestaat uit prachtig aaneengeweven citaten die je één voor één zou kunnen inkaderen en vol eenvoudige waarheden over het leven zitten. Alles is doorspekt met een subtiele vorm van humor die je af en toe doet glimlachen. Het was dan ook niet eenvoudig er enkele citaten uit te kiezen. ‘Liefdeslang en niet langer zou een leven mogen duren’ (p. 100) Dit vat eigenlijk heel het verhaal samen voor mij. De man van mevrouw Verona is doorheen heel het boek aanwezig. Wanneer hij zich het leven ontneemt, is haar leven eigenlijk voorbij. Na dit citaat staat er dat de cello aan een nieuwe laag lak toe is. Wat er verder in die 20 jaar gebeurde is vaag en lijkt geen rol te spelen voor mevrouw Verona. Het idee van die cello vind ik ook erg aangrijpend. Het feit dat ze die laat maken uit het hout van die welbepaalde boom. Ze heeft een soort haat-liefde-verhouding met het instrument. Ze is ervan overtuigd dat de klank erg lelijk zal zijn, maar laat op het instrument toch telkens opnieuw een laag lak aanbrengen. Net zoals de dood van haar man een deel van haar leven geworden is, is ook de cello een deel van haar leven. De gelijkenis met en mens wordt bovendien benadrukt doordat het geluid vergeleken wordt met een menselijke stem. Een sprong in het duister zou het worden. ‘Hier zou ik kunnen sterven, ‘ zei ze, en Meneer Pottenbakker stak een sigaret op voor dat raam, liet zijn blik rusten op een myriade eeuwenoude bomen met basten die hem nog onbekende insecten een winterwoning boden. ‘Ik zou het denken,’ had hij geantwoord. ‘Hier kun je sterven, en hier kun je ongelukkig zijn. We zouden gek zijn dit huis niet te nemen.’ (p.20) Ik vind het spijtig dat dit nadien verder toegelicht wordt. Het is ook zo gewoon een mooie gedachte dat je een plek moet kiezen om te wonen waar je ook ongelukkig moet kunnen zijn en kunnen sterven. Zo denken we meestal niet, maar eigenlijk is dit belangrijker dan de vraag ‘kan ik hier gelukkig zijn?’. Bij het herlezen van het fragment viel het me op dat dit ook anders geïnterpreteerd kan worden. Meneer Pottenbakker kijkt naar de bomen als hij zegt dat hij hier zou kunnen sterven. Is dit een verwijzing naar wat er later gebeurt? In dit fragment kwam ik, net als in heel wat fragmenten uit het boek, woorden tegen die ik niet kende (myriade). Dit heeft me op geen enkel ogenblik gestoord omdat je uit de context vaak de betekenis kon verstaan en deze woorden bovendien erg mooi klonken. Een prachtig boek dat ik zeker nog eens zal herlezen! Anneleen